Bij de renovatie van het oude KPN-gebouw Universe in Den Haag wordt een energielabel A++++ behaald met 90 procent hergebruik en biobased materialen. ‘Je moet al in een vroeg stadium alles organiseren’, zegt architect Sonja Draskovic van cepezed.

Energielabel A+++ was het doel bij de renovatie van het voormalige KPN-kantoor Universe in Den Haag. Niemand had gedacht dat een nog beter energielabel mogelijk was. Maar dankzij een aanbestedingsprikkel van het Rijksvastgoedbedrijf (RVB) – een  zogenoemde fictieve korting – wist het consortium van architectenbureau cepezed en aannemer J.P. van Eesteren het gebouw naar energielabel A++++ te tillen, zonder de bestaande gevel te vervangen. De fictieve korting, een korting op de inschrijfprijs gekoppeld aan extra kwaliteit, bood een financiële stimulans van maximaal tien miljoen euro. Inmiddels is de renovatie in volle gang. Volgend jaar moet het project klaar zijn. Sonja Draskovic, architect bij cepezed, vertelt over de uitdagingen, keuzes en toekomstvisie bij dit ambitieuze renovatieproject.

Waarom was dit project zo aantrekkelijk voor cepezed?

‘Het paste perfect bij ons bureau, omdat wij al jaren sterk inzetten op renovatie, circulariteit en hergebruik. Ongeveer de helft van onze projecten is inmiddels een transformatie. We zien renoveren als de toekomst van de bouwsector. Bovendien werken we veel met systemen en prefabricage, wat flexibiliteit geeft voor circulair hergebruik. RVB-projecten zijn voor ons extra interessant, omdat daar steeds wordt geëxperimenteerd met nieuwe vormen van innovatie en duurzaamheid.’

Wat is de grootste uitdaging bij dit project?

‘De grootste uitdaging zat niet eens in het halen van A++++ of Paris Proof, maar in de schaal van het gebouw: 30.000 vierkante meter. In de tender werd geëist om minimaal 50 procent hergebruik toe te passen in vier productcategorieën. Wij hebben de lat in onze aanbieding zelf hoger gelegd, richting 90 procent hergebruikt of biobased materiaal in meerdere categorieën. Omdat het een UAV-GC-achtig contract is (Het ontwerp en de uitvoering liggen bij de opdrachtnemer. Het RVB stelt de eisen op, maar niet hoe die bereikt moeten worden, red.), wordt alles wat je belooft in de tender later een harde verplichting. Dat legt enorme druk op het hele proces.’

‘Je merkt dan dat zo’n project minder een ontwerpopgave wordt en meer een netwerkopgave. Je moet al in een heel vroeg stadium op zoek naar donorgebouwen, leveranciers die materialen terugnemen, slopers die iets kunnen leveren, opslag, transport, keuringen. Dat moet je organiseren voordat je überhaupt kunt bouwen. Zonder de aannemer was dit onmogelijk geweest, omdat die toegang heeft tot die ‘verborgen markt’ van gebouwen die toch al gestript worden.’

Is de markt voor tweedehands bouwmaterialen volwassen genoeg om dit soort projecten te dragen?

‘Er ontstaat steeds meer een markt voor hergebruik, maar die is nog versnipperd. Sommige leveranciers nemen inmiddels hun eigen systemen terug, knappen ze op, certificeren ze opnieuw en plaatsen ze weer op de markt. Dat is een mooie ontwikkeling. Tegelijkertijd zie je een risico: hergebruik mag er niet toe leiden dat ergens anders gebouwen onnodig vroeg worden gestript. Dan verschuif je het probleem. Het is belangrijk om te weten waar materiaal vandaan komt en of je geen goed functionerend systeem ontwricht.’

‘We zien renoveren als de toekomst van de bouwsector’

‘Een mooi voorbeeld is de pergola buiten, gemaakt van elementen uit de kassenbouw. Daar hebben we bewust gekozen voor restmateriaal dat anders zou blijven liggen, en niet voor onderdelen waarmee nog een complete kas gebouwd had kunnen worden.’

Waar lopen jullie tegenaan bij dit project?

‘Wat ingewikkeld is, is dat je in renders een bepaald beeld belooft, terwijl je weet dat hergebruik betekent dat het er nooit precies zo uit zal zien. Je moet met de opdrachtgever afstemmen wat je als architect nog acceptabele kwaliteit vindt. Krassen, verkleuringen, kleine beschadigingen: dat hoort erbij. Dat gesprek over esthetiek en kwaliteit was belangrijk.’

‘In het ontwerp hebben we geprobeerd flexibiliteit in te bouwen. Bijvoorbeeld bij de glaswanden: we vroegen de leverancier welke maten het meest beschikbaar waren uit sloopstromen. Dat bleek vaak 2,60 meter te zijn. Daar hebben we ons ontwerp op aangepast. Door minimale randvoorwaarden te formuleren, konden we veel meer hergebruikt glas toepassen.’

‘In de mock-up zie je dat ook terug. Alles wat daar staat is hergebruikt of biobased. Je ziet beschadigingen, en dat is juist onze bedoeling: mensen moeten wennen aan het idee dat hergebruik niet perfect is. Bovendien: als je naar het plafond staat te staren om een kras te zoeken, ben je niet aan het werk.’

Hoe ziet u de toekomst van circulair bouwen?

‘Wat nog onvoldoende in eisen wordt beloond, is “reuse in place”: gewoon laten zitten en laten staan wat er al is. Niet slopen is soms de meest circulaire keuze, maar dat telt nog niet altijd mee. Als het aan mij ligt, moet dat veranderen. (in nieuwe tenders voor renovaties van het RVB wordt dit inmiddels uitgevraagd, red.)’

‘Het RVB experimenteert met nieuwe vormen van innovatie en duurzaamheid’

Zijn er bepaalde lessen die jullie nu al hebben geleerd?

‘Wat blijft verbazen is hoeveel partijen je nodig hebt: iemand die oogst, iemand die opslaat, iemand die schoonmaakt, iemand die herplaatst. Dat vraagt om nieuwe vormen van samenwerking.’

‘Voor de toekomst zie ik twee noodzakelijke veranderingen: regelgeving die renovatie aantrekkelijker maakt dan sloop, en een cultuurverandering waarin mensen accepteren dat niet alles nieuw en perfect hoeft te zijn. Eén graad minder comfort of een zichtbare imperfectie moet normaal worden. Anders gaat circulair bouwen nooit echt slagen.’