Een gloednieuwe hand op een eeuwenoud beeld, daar maalde men in 1916 niet om. Nu gaan we anders om met de marmeren beelden van het Koninklijk Paleis Amsterdam (KPA). ‘We trachten wat er overschiet te stabiliseren in de tijd.’

Beeld: Tineke Dijkstra/RVB
Het witte marmer lijkt hard en ongenaakbaar. En vanaf de straat valt het ook het ook eigenlijk niet op. Maar bovenop de steiger zie je dat de beelden van het timpaan (een driehoekig deel bovenin de gevel) aan glans hebben ingeboet na vier eeuwen blootstelling aan weer en wind.
Versuikering
Steenrestaurator Nicolas Verhulst is samen met collega Geert van den Brul door het Rijksvastgoedbedrijf (RVB) belast met de taak de beelden te behoeden voor verdere verwering. Het KPA en het RVB zijn voor het herstel en behoud van het erfgoed niet over één nacht ijs gegaan. De eerste voorbereidingen begonnen zes jaar geleden al. Op een waterkoude en winderige winterse dag in 2020 klommen Verhulst en Van den Brul samen met geoloog Jeroen van Rhijn in een hoogwerker om het marmer van dichtbij te inspecteren. Wat ze vooral aantroffen, is wat Verhulst ‘versuikering’ noemt.
Water
Onder invloed van temperatuurwisseling komen er kleine barstjes in het materiaal, legt Verhulst uit. ‘Marmerkristalletjes zitten normaal heel hard tegen elkaar aan. Door temperatuurverschillen gaan de kristalletjes een klein beetje bewegen, ze gaan uitzetten.

Beeld: Tineke Dijkstra/RVB
‘De versuikering begint aan het oppervlak en trekt de diepte in', zegt steenrestaurator Nicolas Verhulst.
Maar ze komen niet meer helemaal op dezelfde plek terug en dan sluiten de kristalletjes niet meer perfect in elkaar.’ Het oogt dan als een suikerklontje.
Er ontstaat een beetje ruimte waar water kan binnendringen. ‘De versuikering begint aan het oppervlak en trekt de diepte in, geholpen door binnendringend water dat bij vorst de schade verder vergroot.’ Hij verzucht: ‘Water is sterker dan welk materiaal ook.’
Aangespannen kuit
Het contrast met de beelden in het paleis is groot. ‘De marmeren beelden die binnen staan, zijn puntgaaf. Als je daar een in marmer uitgehouwen gespierde kuit ziet, denk je bijna dat het om een echte aangespannen kuit gaat. Buiten zijn op de meest blootgestelde delen zulke details meer verweerd.’ Om het verfijnde beeldhouwwerk ook voor de toekomst te behouden, moest er iets gebeuren. Samen met een commissie van deskundigen - bestaande uit vertegenwoordigers van het RVB, TNO, de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, het Rijksmuseum, de gemeente Amsterdam en de restauratie-architect – werkten Verhulst en Van den Brul aan een aanpak om de versuikering tot stilstand te brengen.

Alle marmeren beelden - binnen en buiten - zijn in de zeventiende eeuw door of onder leiding van Artus Quellinus gemaakt. 
Een versuikerd hoofd. De details zijn verweerd.
Verweerd oortje
Het goede nieuws is volgens Verhulst dat de versuikering ‘een heel langzaam proces’ is. ‘Als je het kunt minimaliseren, ben je al een eind opgeschoten. De vraag is: wat kunnen wij het beste doen om die barstjes en de versuikering te stabiliseren. Het perfecte materiaal om de versuikering van marmer te stoppen is er niet. Er zijn nieuwe producten op de markt, maar we weten niet hoe die zich over tien of vijftig jaar houden. Dat durven we niet te gebruiken. Wij gebruiken Kalkschlämme, vergelijkbaar met kalkverf. Wij zetten eigenlijk alles dicht met kalk en sponsen het dan meteen af. Het is een klassiek product dat ze vroeger ook gebruikten. De kalk blijft in de barstjes zitten en is waterdampdoorlatend. Dat betekent dat je steen blijft ademen. En het zorgt ervoor dat water mooi afstroomt en niet te snel in het marmer dringt.’
Verhulst benadrukt dat het niet om een restauratie gaat, maar om behoud. ‘We trachten wat er nog overschiet te stabiliseren in de tijd. Want als je gaat restaureren, waar stop je in dit geval? Stel dat je bij een verweerd hoofd een oortje mist. Ga je er dan een nieuw oortje opzetten? Een nieuw scherp oortje? Of een verweerd oortje?’
Mortel
Zijn collega’s van ruim honderd jaar geleden hadden er andere ideeën over. Op de steiger laat Verhulst eerst zien welke delen ‘gezond’ zijn en welke niet. ‘Als je hier de voorzijde van de kroon van die dame ziet. Ja, die is helemaal weggevreten. Maar de achterzijde van haar hoofd is nog helemaal intact. Alsof het beeld gisteren is gehakt. Die vingers zijn altijd het zwakke punt. Dat zijn kleine volumes. De temperatuur en de regen hebben daar veel impact op.’ De vingers zien eruit alsof ze zijn weggesmolten. En de dame met de kroon heeft een pokdalig gezicht gekregen.
Bij de restauratie van 1916 hakte men het aangetaste marmer er onverbiddelijk uit. Ze maakten volgens Verhulst een eigen interpretatie van het volledige beeld. Het ontbrekende deel boetseerden ze van mortel en zetten dat met pennetjes vast op het marmer. ‘Ik moet zeggen: het is heel knap gemaakt. Echt vaklui. Die mortel is 100 jaar oud en ziet er eigenlijk mooi passend verweerd uit, zoals het omliggende marmer. Die aanvullingen uit 1916 zijn allemaal behouden, omdat die een belangrijke getuigenis vormen voor de geschiedenis van het object.’

Beeld: Tineke Dijkstra/RVB
Turf en kolen
Versuikering is niet het enige probleem. Eeuwen van stoken op turf en kolen hebben een grauwe sluier over het marmer gelegd. Door de verbranding kwamen sulfaten in de lucht en die reageren volgens Verhulst met het calciumcarbonaat in het marmer. Voeg daar nog water aan toe en er groeien gipskorsten. Met speciale reinigingstechnieken - droogijs en een laser - heeft Verhulst de korsten verwijderd. En als de korsten eraf zijn, zie je op de beschutte delen de beitelsporen van de beeldhouwer nog zitten. Na het verwijderen van de aanslag is het beeldhouwwerk voor het eerst in eeuwen weer echt stralend wit zoals marmer uit de Italiaanse marmerhoofdstad Carrara hoort te zijn.
Onderhoud
‘Hoe lang we het timpaan nog kunnen bewaren, weten we niet. Kan het nog 50 jaar mee? 100 Jaar? Kan er nog eens 400 jaar bij? We gaan nu eerst monitoren om te zien hoe het zich houdt. En het is ook belangrijk om – net als we nu hebben gedaan - op gepaste tijd onderhoud uit te voeren. Want als je dat verwaarloost en 50 jaar niks doet, kom je op een punt dat je denkt: is dit nog te redden?’