De ecologische schade van de natuurbranden die eind april op drie terreinen van Defensie hebben gewoed, verschilt sterk per gebied en per soort. De langetermijneffecten zijn nog onduidelijk, zegt Edwin Witter, ecoloog bij het Rijksvastgoedbedrijf.
Beeld: RVB
Op drie terreinen van Defensie woedden eind april natuurbranden, vermoedelijk veroorzaakt door het gebruik van munitie en explosieven tijdens trainingen. De Koninklijke Marechaussee heeft een onderzoek ingesteld. Vanwege de aanhoudende droogte en het verhoogde risico op natuurbranden, heeft de Koninklijke Landmacht in diverse provincies (waaronder Gelderland, Utrecht en Zuid-Limburg) besloten oefeningen met open vuur en explosieven tijdelijk te staken totdat er nieuwe veiligheidsprotocollen zijn opgesteld.
Wat betreft de ecologische schade, zijn de langetermijneffecten nog onduidelijk, zegt Edwin Witter, ecoloog bij het Rijksvastgoedbedrijf (RVB). Hij benadrukt dat de impact per gebied en per soort sterk verschilt. ‘Sommige soorten lijden onder het verlies van leefgebied, terwijl andere soorten juist profiteren van de nieuwe omstandigheden.’
- Artillerie Schietkamp (ASK) 't Harde (Gelderland) – brand uitgebroken op woensdag 29 april 2026.
- Oirschotse Heide (Noord-Brabant) – brand uitgebroken op donderdag 30 april 2026.
- Weerterheide (Limburg) – brand uitgebroken op donderdag 30 april 2026.
Eerste bevindingen
Kort na de branden bezochten ecologen, vegetatie- en fauna-experts van het RVB de getroffen gebieden. Daar is een zogenoemde quick-scan uitgevoerd. ‘Wat opviel, was het grote verschil in schade tussen de terreinen. Je hebt stukken bos, je hebt stukken droge heide, maar er waren ook stukken met kortsmos vegetatie. Bij ‘t Harde ging het om een aaneengesloten oppervlakte van honderden hectares. Daar is de schade groter. Terwijl de branden op de andere terreinen kleiner en vlekkeriger waren. Daar is de schade minder groot.’
"Unieke soorten zijn gelukkig gespaard gebleven"
Loofbomen toonden zich beter bestand tegen vuur dan naaldbomen, die door hun harsgehalte sneller vlam vatten. Veel insecten en kleine gewervelden zijn flink getroffen door de brand, maar voor dieren die ondergronds konden schuilen lijkt de schade mee te vallen, zegt Witter. ‘Het blijkt dat de branden niet heel diep in de grond gewoed hebben.’ Zo werden al na enkele dagen levende veldkrekels en zandhagedissen waargenomen.
Unieke soorten
Toch waren er ook veel slachtoffers: verbrande kikkers en hagedissen werden aangetroffen, en nesten van vogels, zoals de veldleeuwerik en nachtzwaluw, gingen naar verwachting verloren. ‘Gelukkig zijn sommige unieke soorten, zoals de kleine wrattenbijter – een zeldzame sprinkhanensoort die alleen op ‘t Harde voorkomt – niet getroffen omdat hun leefgebied buiten de brandhaarden lag. De groeiplaats van de klokjesgentiaan bevindt zich in het verbrande deel maar is dankzij de wat lagere ligging en het ontbreken van heidevegetatie gespaard gebleven en doet het na de brand zelfs beter dan daarvoor. De mooiste stukken met jeneverbes zijn ook gespaard gebleven.’
De meeste grotere dieren, zoals herten en vossen, maar ook de meeste vogels, hebben waarschijnlijk kunnen vluchten, vertelt Witter. ‘Zij zijn naar omliggende gebieden gevlucht en sommige soorten keren nu weer terug. Zo vonden we ook al een nieuw gegraven vossenhol in het gebied waar de brand heeft gewoed en verse holletjes van allerlei insecten.’
Herstel en beheer
De branden bieden ook kansen voor sommige soorten, maar dat is niet per se positief. Zo profiteert het pijpenstrootje, een grassoort die gedijt op stikstofrijke grond, van de verstoorde bodem. Deze soort is echter ongewenst, omdat hij de heide verdringt. Beheerders grijpen de situatie aan om het pijpenstrootje te bestrijden, onder meer door intensieve schapenbegrazing. Dit moet voorkomen dat de soort opnieuw de overhand neemt of zich zelfs weet uit te breiden.
Voor de grauwe klauwier, een trekvogel die ten tijde van de brand gelukkig nog net niet was teruggekeerd naar Nederland, is het verlies van leefgebied tijdelijk. Beheerders hebben direct maatregelen genomen, zoals het plaatsen van boomstronken en het creëren van beschutting, waardoor de vogels inmiddels alweer gebruikmaken van het gebied. Of ze voldoende voedsel vinden, blijft de vraag. ‘Hun belangrijkste voedselbron, de mestkever, gedijt op mest van edelherten, die nu profiteren van het verse groen dat na de brand opschiet. Wat dat betreft bekijk ik het positief.’
Langetermijnperspectief
De ecologische impact van de branden zal pas over jaren volledig duidelijk zijn. Om het herstel, de lange termijngevolgen en maatregelen te kunnen bepalen is aanvullend onderzoek noodzakelijk. Ecologen van het RVB volgen ook andere militaire oefenterreinen waar een natuurbrand heeft gewoed, zoals in Ede waar vorig jaar april een brand ontstond. Satellietbeelden, veldmonitoring en eerder verzamelende gegevens moeten helpen om de ecologische impact van de branden in kaart te brengen en een beeld van hersteltrajecten te kunnen schetsen.
Hoewel de branden een grote klap zijn voor biodiversiteit, benadrukt Witter dat de natuurgebieden zich kunnen herstellen. Open gebieden herstellen sneller dan gesloten bossen, en sommige soorten zullen zich verplaatsen naar geschikte leefgebieden in de omgeving.
Wel maakt Witter zich grote zorgen over stikstofdepositie en klimaatverandering, die de kwetsbaarheid van natuurgebieden voor branden vergroten. Zo is er door klimaatverandering sprake van langere perioden van droogte en door stikstofdepositie profiteert vegetatie die makkelijk kan uitdrogen en als brandstof dient. ‘Zonder structurele oplossingen voor deze problemen, zal het risico op dit soort natuurbranden alleen maar toenemen.’