Met zo’n 100 broedparen is Vliegbasis Deelen een toevluchtsoord voor de bedreigde veldleeuwerik. Samen met Theo Linders, ecoloog bij het Rijksvastgoedbedrijf (RVB), gingen we op zoek naar het lichtbruine vogeltje dat vooral bekendstaat om zijn zangkunsten. ‘Een fascinerend geluid.’

Beeld: RVB/Jeroen Liebers
Het is een regenachtige lentedag op Vliegbasis Deelen, vlak bij Arnhem. Boven de landingsbaan komt de zon – tussen de buien door – even tevoorschijn. Opeens klinkt er een lyrisch gezang. Een klein vogeltje stijgt luidkeels tsjilpend op naar zo’n honderd meter hoogte, om vrolijk zingend weer omlaag te vliegen en vrijwel onzichtbaar te landen in het gras. In het uitgestrekte graslandschap naast de start- en landingsbaan stikt het van deze soort, die op de rode lijst van de vogelbescherming staat.
De aanwezige fotograaf – ook vogelaar – kan zijn enthousiasme nauwelijks onderdrukken als Theo Linders, ecoloog bij het Rijksvastgoedbedrijf (RVB), wijst naar het lichtbruine vogeltje met een mini-kuif. ‘Kijk’, zegt Linders. ‘Daar gaan er twee. Je kunt ze herkennen aan hun bijzondere manier van vliegen. Zie je dat? Hij laat zich heel langzaam zakken. Maar hij staat vooral bekend om zijn prachtige zangkunsten. Qua uiterlijk is het geen heel bijzondere vogel.’
Bergafwaarts
Vijftig jaar geleden was de veldleeuwerik een van de meest voorkomende broedvogels van Nederland. Maar door zeer intensieve landbouw ging het bergafwaarts. Inmiddels zijn er nog maar zo’n 34.000 tot 44.000 broedparen in Nederland, een afname van ruim 90 procent. ‘Hij maakt een fascinerend geluid’, zegt Linders. ‘Hartstikke mooi! Als je oud genoeg bent, hoorde je dat vroeger overal. Nu is dit een van de laatste plekken waar je het nog hoort.’
Vliegbasis Deelen – ten tijde van de Tweede Wereldoorlog aangelegd door de Duitse bezetter – ligt vlak naast De Hoge Veluwe en is momenteel niet operationeel. Sovon Vogelonderzoek Nederland onderzocht vorig jaar in opdracht van het RVB het broedsucces van de veldleeuwerik op de vliegbases Deelen, Gilze-Rijen en Volkel. Uit dat onderzoek blijkt dat de veldleeuwerik het opvallend goed doet op de vliegbases. Zowel op Deelen als op Gilze-Rijen was het broedsucces hoog genoeg om zelf een populatie in stand te houden.
100 broedparen
‘Op Gilze-Rijen zijn er tienduizenden helikopterbewegingen per jaar’, vertelt Linders. ‘Dat maakt heel veel geluid. Maar het broedsucces is vergelijkbaar met plekken zonder vliegtuigen en helikopters. Die leeuweriken weten: een heli is geen bedreiging – het is geen wandelaar met hond. Er zijn zelfs nesten gevonden die 1,5 meter uit de hoofdbaan lagen waar de jongen succesvol uitgevlogen zijn.’
Op Deelen zitten nu zo’n 100 broedparen. Op andere defensievliegbases, zoals Gilze-Rijen en Volkel, liggen de aantallen tussen de 80 en 100 paren per locatie. Dit is een vertienvoudiging sinds de jaren 90, toen er nog maar een tiental paren broedden. ‘De dichtheid is hier zo hoog als het systeem aan kan’, zegt Linders. ‘Elke 100 tot 200 meter is weer een nieuw mannetje aan het zingen.’
Extensief graslandbeheer
Hoe het kan dat de vogel floreert op Defensieterrein? ‘In de jaren negentig is door de Koninklijke Luchtmacht de omschakeling gemaakt naar extensief graslandbeheer op vliegbases door heel Nederland’, legt Linders uit. ‘Het hoofddoel was het verhogen van de vliegveiligheid door het aantal aanvaringen tussen vogels en luchtvaartuigen te verminderen. Daarnaast is voor extensivering gekozen om de biodiversiteit in deze graslanden te bevorderen.’

Beeld: RVB/Jeroen Liebers
Vroeger was dit landbouwgrond, weet Linders, terwijl hij door het korte gras heen loopt. ‘Intensieve landbouw met frequente bemesting en regelmatig maaien was schadelijk voor de veldleeuwerik. Tegelijkertijd leverden ganzen, meeuwen en kieviten een gevaar op voor de luchtvaart. Door jaarlijks één keer te maaien en het maaisel af te voeren, daalde de voedselrijkdom in de bodem. Dat leidde tot bloemrijke, kruidenrijke graslanden – ideaal voor insecten en grondbroeders zoals de veldleeuwerik.’
Het beheer is erg laagdrempelig: één keer per jaar maaien, eind augustus of begin september, na het broedseizoen. ‘We moeten er alleen op letten dat het gebied niet té schraal wordt, want open bodem en zand zijn ook weer slecht voor zowel natuur als vliegveiligheid. Mogelijk moeten we straks selectief toch weer wat voedingsstoffen toevoegen aan de bodem.’
Meer biodiversiteit
Al met al heeft alles goed uitgepakt: de afgelopen decennia er minder schade door vogelaanvaringen en is de biodiversiteit op de baangraslanden sterk toegenomen. De veldleeuwerik is een van de soorten die hier het meest van geprofiteerd heeft, maar ook allerlei insecten doen het goed. Er zijn 40 dagvlindersoorten waargenomen, waaronder zeldzame vlinders als de zwarte klokjeswants (daarvoor niet gezien sinds de jaren 60). Ook graspiepers, torenvalken, buizerds en kiekendieven jagen hier. In de randen van het bos en de heide broeden grauwe klauwieren en roodborsttapuiten. Ook zijn er dassen, vossen, hazen en reeën.
Schuilend voor een hoosbui zoeken we een kantoortje op. Een groot raam geeft uitzicht over het uitgestrekte grasland. Linders kijkt naar buiten en ziet de ene na de andere veldleeuwerik opstijgen, als een soort kleine helikoptertjes. Dwars door het glas hoor je hun gezang. Opeens slaakt de fotograaf een klein gilletje. Hij rent naar zijn koffer om er een gigantische telelens uit te halen. ‘Een blauwe kiekendief’, roept hij. ‘Geweldig!’







