Francesco Veenstra stopt op 1 september als Rijksbouwmeester. Centraal in zijn werk: de menselijke maat en wederkerigheid. Van Groningen tot woningbouw zette hij in op gebouwen die niet alleen functioneren, maar ook waarde toevoegen. ‘Een gebouw moet iets teruggeven aan de omgeving.’

Beeld: © Arenda Oomen/Rijksvastgoedbedrijf

Na vijf jaar neemt Francesco Veenstra afscheid als Rijksbouwmeester. In die vijf jaar hield Veenstra zich bezig met uiteenlopende onderwerpen, van de versterkingsoperatie in Groningen tot woningbouw en de toekomst van het Rijksvastgoedbedrijf. De rode lijn in al die dossiers is steeds weer de menselijke maat en de vraag hoe je niet alleen tot  goede gebouwen, maar ook tot een betere leefomgeving kunt komen. Wederkerigheid, daar draait het om. Dat begrip staat ook centraal in zijn recente advies aan de minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, Thuis in de toekomst. ‘Een gebouw moet niet alleen technisch goed functioneren,’ zegt Veenstra, ‘maar moet ook iets teruggeven aan de omgeving en de mensen die er wonen of werken.’

Als je terugblikt, welk moment in de laatste vijf jaar is voor jou het meest bepalend geweest?

‘Er is niet één moment. De hoeveelheid projecten is daarvoor te groot. Maar als ik er toch één moet noemen, is het de versterkingsopgave in Groningen. Daar ben ik in de eerste helft van mijn termijn veel geweest. Ik sprak er heel veel met bewoners, ontwerpers, architecten, stedenbouwkundigen, landschapsarchitecten en mensen van de Nationaal Coördinator Groningen.

Wat mij raakte, waren de persoonlijke verhalen. Mensen die niet weten waar ze aan toe zijn, mensen die bang zijn dat er opnieuw schade ontstaat en mensen van wie het huis niet meer bewoonbaar is. Tegelijkertijd zag ik dat er vanuit de ontwerp- en technische kant nog weinig aandacht was voor het leed dat daarachter zat.

Ons programma heette “Repair with Gold, zoals met gebroken keramiek in Japan gebeurt. Je voegt op een respectvolle manier nieuwe waarde toe aan het bestaande. We adviseerden om de tijd te nemen met de hersteloperatie en een scheur in een woning niet simpelweg weg te werken, maar er met aandacht iets bijzonders van te maken. Daarmee vertel je een ander verhaal over een ingewikkelde en pijnlijke situatie.’

Wat heeft die ervaring je geleerd over je rol als Rijksbouwmeester?

‘Dat ik mijn positie daadwerkelijk kan inzetten om verschil te maken. De Rijksbouwmeester heeft wettelijk een onafhankelijke positie en adviseert het kabinet. Ik ben geen onderdeel van een lijnorganisatie. Daardoor kan ik vanuit mijn vakmanschap vanuit een ander perspectief naar een opgave kijken.

In Groningen heb ik bijvoorbeeld gepleit voor een grotere rol van architecten. Constructeurs keken naar de veiligheid en aannemers werden ingeschakeld om woningen te herstellen. Maar daartussen zit een hele wereld waarin bewoners honderden keuzes moeten maken. Wil ik mijn huis slopen of renoveren? Met welke architect? Wil ik op dezelfde plek blijven wonen? Een architect kan naast zo’n bewoner staan en hem of haar door dat proces begeleiden.’

Daarin komt ook de menselijke maat terug. Is dat kenmerkend voor jouw Rijksbouwmeesterschap?

‘Ja. Uiteindelijk gaat het steeds over de relatie met andere mensen. We werken als overheid met veel harde waarden, meetbare onderdelen en processen die controleerbaar moeten zijn. Dat is nodig, maar daarmee maken we de wereld niet vanzelf beter.

Een gebouw moet duurzaam en toekomstbestendig zijn. Maar ik vind het minstens zo belangrijk om te weten voor wie je het maakt. En als die gebruiker vertrekt: wie komt er dan? Kun je het gebouw zo aanpassen dat een volgende gebruiker er ook goed mee uit de voeten kan?

We zijn in de bouwsector sterk gericht op het bouwen en opleveren zelf. Daarna verdwijnen de ontwerper, constructeur en bouwer vaak uit beeld. Terwijl het gebouw dan pas onderdeel wordt van de portefeuille. Ik zou daarom willen dat de mensen die verantwoordelijk zijn voor het beheer al veel eerder aan tafel zitten.’

Ja! Ik wil de nieuwsbrief ontvangen

Je pleit dus voor meer samenhang tussen de verschillende fasen en partijen?

‘Absoluut. Ik denk dat we veel te veel in losse stappen werken. Ontwikkelaars hebben bijvoorbeeld een prikkel om een gebouw zo snel mogelijk af te ronden en het risico daarna over te dragen. Maar daarmee verdwijnen de risico’s niet. Ze komen uiteindelijk altijd terug bij de overheid.

Je kunt een stuk grond verkopen en zeggen: het is nu niet meer mijn probleem. Maar als daar later iets misgaat, kan dat alsnog gevolgen hebben voor de overheid. Daarom geloof ik meer in langdurige betrokkenheid. Als je bijvoorbeeld 25 jaar betrokken blijft bij een gebiedsontwikkeling, heb je een grotere kans om ook andere waarden dan financiële waarde te realiseren.’

Dus we moeten anders gaan werken?

‘Voor mij gaat het over de kwaliteit van de ingrediënten. Als je goede kaas, goede olijfolie en goede pasta hebt, kun je er bijna geen slecht gerecht van maken. Zijn de ingrediënten matig, dan kan zelfs de beste kok er geen excellent resultaat van maken.

Zo werkt het ook bij opdrachtgeverschap. Als de uitgangspunten niet goed zijn, kun je niet verwachten dat een fantastische projectmanager, architect of aannemer het probleem aan het einde oplost. We moeten dus veel scherper zijn aan de voorkant van het proces. Daar wordt het verschil gemaakt.’

Hoe vertaal je dat naar de praktijk?

‘Het Rijksvastgoedbedrijf doet dat bijvoorbeeld met de ambitie “We bouwen duurzaam of we bouwen niet”. Met de Routekaart verduurzamen wordt duurzaamheid een kernwaarde die gedurende het hele proces wordt meegenomen. Ik zou graag zien dat we dat ook sterker doen voor ruimtelijke kwaliteit.

Een ander voorbeeld is industrialisatie. Met fabrieksmatige productie, digitalisering en robotisering kun je gebouwen sneller en met minder faalkosten maken. Maar je kunt die technologie ook gebruiken om meer variatie te creëren. Een hoek van een gebouw hoeft niet hetzelfde te zijn als het middendeel. Door digitale productie kunnen afwijkende vormen relatief eenvoudig worden gemaakt. Daarmee kun je gebouwen beter laten aansluiten op hun omgeving, zonder dat het per se duurder wordt.’

‘Als mensen een plek als hun eigen omgeving ervaren, gaan ze er misschien ook anders mee om. Ze zorgen er beter voor’

Wat betekent dat voor de gebruiker?

‘Een gebouw of buurt kan daardoor meer identiteit krijgen. Neem acht identieke woningen of units achter elkaar. Je kunt iedere entree een eigen karakter geven, bijvoorbeeld met een andere luifel of een bankje. Dat zijn kleine ingrepen, maar ze kunnen ervoor zorgen dat mensen zich meer verbonden voelen met een plek.

Als mensen een plek als hun eigen omgeving ervaren, gaan ze er misschien ook anders mee om. Ze ruimen iets op, spreken iemand aan of zorgen beter voor hun omgeving. Dat geldt voor wonen, werken en onderwijs.’

Cécilia Gross wordt per 1 september de nieuwe Rijksbouwmeester. Wat hoop je dat je opvolger voortzet?

‘Wij zijn van de lange lijnen. Ik gebruik daarvoor de metafoor van de estafetteloper. Je neemt het werk van je voorganger over, brengt het verder, voegt er iets aan toe en geeft het vervolgens weer door. Ik hoop dat mijn opvolger dat blijft doen. Er liggen verschillende adviezen die tijd nodig hebben om te landen.

Misschien wel de belangrijkste is het net verschenen advies Thuis in de toekomst aan de minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening. Een heel breed en compleet advies, waarin we ervoor pleiten om wonen weer als publieke waarde te benaderen en als een totale opgave met leefbare, gezonde, duurzame en rechtvaardige leefomgevingen waar mensen zich thuis voelen. Ik hoop dat Cécilia daarmee doorgaat, maar ze heeft ook uitgesproken dat ze dat gaat doen.

Daarnaast heb je het programma “Rijk als rentmeester”, waarin we kijken naar de verantwoordelijkheid van het Rijk voor de gebouwen en gebieden die het bezit. Ook het Stadsatelier Den Haag vind ik belangrijk. Daar werken de gemeente en het Rijksvastgoedbedrijf samen aan de ontwikkeling van de stad Den Haag.

Uiteindelijk gaat het steeds om hetzelfde: welke verantwoordelijkheid nemen we voor de plekken die we maken en gebruiken? En hoe zorgen we ervoor dat die plekken niet alleen technisch goed functioneren, maar ook betekenis krijgen voor de mensen die er wonen, werken of verblijven?’