Op verschillende plekken in de wereld liggen op de zeebodem resten van vergane schepen van de Verenigde Oostindische Compagnie (VOC) én hun lading. Deze scheepsresten zijn eigendom van het Rijk. Het Rijksvastgoedbedrijf is samen met de Rijksdienst Cultureel Erfgoed (RCE) en het ministerie van Buitenlandse Zaken verantwoordelijk voor deze wrakken en hun lading.

Scheepswrakken in territoriale wateren

Het Rijk is op grond van de Staatsregeling voor het Bataafsche Volk (1798), de rechtsopvolger van de VOC. De scheepsresten zijn dus eigendom van het Rijk. Omdat de wrakken meestal in de territoriale wateren van andere landen liggen, is het beheer ervan lastig.

Na de vondst van een VOC-wrak beoordelen wij samen met de RCE en het ministerie van Buitenlandse Zaken wat ermee gedaan zou moeten worden. Hierbij nemen wij het interdepartementaal beleidskader Nederlandse historische scheepsvondsten en scheepsvindplaatsen in den vreemde en de Beslisboom voor Nederlandse scheepsvondsten in niet-Nederlandse territoriale wateren in acht.

Wij willen zoveel mogelijk zeker stellen dat op archeologisch verantwoorde wijze wordt omgaan met de vindplaats van een wrak, dat een wrak eventueel wordt geborgen en/of dat vondsten in bruikleen kunnen worden gegeven aan musea.